BloomKlassiek – Classificeren, selecteren en determineren van kennis

Het denken op het kruispunt van analyseren en feitenkennis op gang brengen of toetsen.

Vraagexempla

Leg de betekenis van de verschillenden tijdsstammen uit in r. x t/m y. Omschrijf de volgende werkwoordsvormen zo precies mogelijk (denk aan act./med.) (Pallas les 23Α OD):

  1. r. 11 ἐθέλων
  2. r. 11 λῦσαι
  3. r. 11 ἀγείρας
  4. r. 12 κρίναντες

Hieronder staan enkele vormen, die ofwel 1.  een sigmatische aoristus, 2.,  een pseudo-sigmatische aoristus, of 3.  een futurum zijn. Zeg van elke vorm of die hoort bij nr. 1, 2 of 3:

  1. ἐλύσατε
  2. πραξοῦσης
  3. ἔσεσθε
  4. ἀπεκρίναντο
  5. πρᾶξαι
  6. ἦρας

(CEGr2015 I) vr. 4a: Schrijf regel 333 over en scandeer deze regel. b: Regel 333 ἐνείκεσας. De aoristusvormen van het werkwoord νεικέω komen bij Homerus zowel met een enkele sigma als met een dubbele sigma (bijvoorbeeld regel 325 νείκεσσεν) voor. Leg uit dat de vorm ἐνείκεσσας (met dubbele sigma) op deze plaats in regel 333 niet in het metrum zou passen. Een scandeervraag kan ook beantwoord worden meer op het niveau van denken op het kruispunt van toepassen procedurele kennis.

(CEGr2015 I) vr.14a: Regel 41-42 μὴ t/m ἀρήγει. Deze regels worden door G. Koolschijn als volgt vertaald: “niet door mijn wil schaadt Poseidon nu Hektors Trojanen en helpt hij de Grieken”. Citeer het Griekse tekstelement uit de regels 41-42 (μὴ t/m ἀρήγει) dat in de vertaling is weergegeven met ‘de Grieken’. b: De grammaticale structuur van het Grieks is in de vertaling niet geheel overgenomen. Leg dit uit met betrekking tot Ἕκτορα. Ga in je antwoord in op zowel het Grieks als de vertaling.

(CEGr2015 I) vr.15b: Regel 43-44 ἀλλά t/m Ἀχαιούς. Deze regels worden door J. van Gelder als volgt vertaald: “Ik denk dat het een opwelling van hemzelf is, omdat hij medelijden kreeg toen hij de Achaeërs in moeilijkheden zag bij hun schepen.”. Op welk grammaticaal gegeven is de vertaling ‘hij kreeg medelijden’ gebaseerd? Licht je antwoord toe.

(CEGr2015 II) vr.12a: Regel 855-857 Ὣς t/m ἥβην. Verschillende Griekse filosofen na Homerus beschouwden het lichaam als een gevangenis van de ziel, die bij de dood eindelijk uit die gevangenis bevrijd werd. In de regels 855-857 (Ὣς t/m ἥβην) is sprake van zowel een overeenkomst als een verschil met deze voorstelling van zaken. Beschrijf in eigen woorden de overeenkomst.

(CEGr2015 II) vr. 17a: Schrijf regel 203 over en scandeer deze regel. Vergelijk deze regel met regel 519 uit het vervolg van boek 24, waarin Achilles, als Priamus bij hem is aangekomen, aan hem vraagt: Πῶς ἔτλης ἐπὶ νῆας Ἀχαίων ἐλθέμεν οἶος. b: Leg uit dat ἔτλης in regel 519 op deze plaats in het vers metrisch uitwisselbaar is met ἐθέλεις in regel 203. Een scandeervraag kan ook beantwoord worden meer op het niveau van denken op het kruispunt van toepassen procedurele kennis.

(CEGr2015 II) vr. 21: Regel 219 οὐδέ με πείσεις. Deze woorden lijken op gespannen voet te staan met een opmerking die Priamus in de regels 194-199 (Δαιμονίη t/m Ἀχαιῶν) heeft gemaakt. Leg dit uit. Ga in je antwoord in op beide passages.

(CEGr2015 II) vr. 26a: Stel dat het tekstelement ‘Ik’ (regel 1) correspondeert met Menelaus en dat de tekstelementen ‘een vrouw’ (regel 1) en ‘drank en heroïne’ (regel 3) corresponderen met twee andere personen uit de Ilias. Noteer de naam van het personage uit de Ilias dat in dat geval correspondeert met ‘een vrouw’ (regel 1)

(CEGr2016 I) vr.9a: Regel 38 Ἄπληστε αἵματος. Deze uitdrukking krijgt in het verhaal over Cyrus en Tomyris een figuurlijke en een letterlijke invulling. Beschrijf in eigen woorden de figuurlijke invulling van Ἄπληστε αἵματος. Baseer je antwoord op het voorafgaande (vanaf Ὑστάσπης regel 26).

(CEGr2016 I) vr.15a: Regel 6-7 ὄψιν τοιήνδε. In Tekst 1, regel 1-17 (Ἐπείτε t/m ἔλεγχον) heeft Cyrus een vergelijkbare droom. Beschrijf in eigen woorden de overeenkomst tussen beide dromen. De reactie van Cyrus op de droom is anders dan die van Cambyses. b: Beschrijf in eigen woorden in welk opzicht de reactie van Cyrus verschilt van die van Cambyses. Ga in je antwoord in op beide reacties.

(CEGr2016 I) vr.17a: In bovenstaande inscriptie over Cambyses wordt een andere volgorde van de gebeurtenissen beschreven dan in de regels 2-11 (ἐξεργάσατο t/m μιν). Beschrijf in eigen woorden het verschil in volgorde. Ga in je antwoord in op zowel regel 2-11 (ἐξεργάσατο t/m μιν) als op bovenstaand citaat.

(CEGr2016 I) vr.21: Regel 19-23 Οἱ t/m ἀνάκειται. Elders vertelt Herodotus: “Tot bevelhebber over de kustbewoners stelde hij Otanes aan, wiens vader Sisamnes, die behoord had tot de koninklijke rechters, door koning Cambyses was gedood, omdat hij voor geld een onrechtvaardig vonnis had geveld.” Citeer uit de regels 19-23 (Οἱ t/m ἀνάκειται) het Griekse tekstelement dat inhoudelijk vergelijkbaar is met ‘omdat hij voor geld een onrechtvaardig vonnis had geveld’.

(CEGr2016 I) vr.26a: Regel 44-45 Τὸν δὲ t/m ἀποθανεῖν. Het volgende citaat, waarin een vergelijkbare gebeurtenis wordt beschreven, is afkomstig van de Romeinse geschiedschrijver Tacitus: “Toen de spelen waren afgelopen, stierf Poppaea door een vlaag van woede van haar echtgenoot, die haar, terwijl zij zwanger was, een trap met de hiel gaf.” Citeer uit de regels 44-45 (Τὸν δὲ t/m ἀποθανεῖν) het Griekse tekstelement waarvan geen parallel voorkomt in bovenstaand citaat.

b: Citeer uit de regels 44-45 (Τὸν δὲ t/m ἀποθανεῖν) het Griekse tekstelement dat inhoudelijk overeenkomt met ‘terwijl zij zwanger was’.

(CEGr2016 II) vr.3: Regel 2-3 ἤθελε ἐς τὰ βασιλήια ἐσελθὼν χρηματίσασθαι τῷ βασιλέϊ. Deze woorden worden door O. Damsté als volgt vertaald: “Hij kwam in het paleis, omdat hij iets met de koning wilde bespreken.” In de vertaling is de grammaticale structuur van het Grieks niet geheel overgenomen. Leg dit uit met betrekking tot ἤθελε. Ga in je antwoord in op zowel het Grieks als de vertaling.

(CEGr2016 II) vr.7: Regel 19-23 Ἡ t/m πάντων. In een navertelling van het verhaal van Herodotus wordt gezegd dat Darius deze gunst verleende omdat hij genoot van het idee dat de vrouw gekweld zou worden door de vreselijke keuze die zij moest maken. Komt dit wel of niet overeen met de voorstelling van zaken in de regels 19-23 (Ἡ t/m πάντων)? Licht je antwoord toe en citeer in je antwoord het Griekse tekstelement uit de regels 19-23 ( ̔Η t/m πάντων) waarop je je antwoord baseert.

(CEGr2016 II) vr.9a: Regel 29-31 ἀνὴρ t/m γένοιτο. Vergelijk deze regels met het volgende citaat uit de tragedie Antigone van Sophocles: “Als mijn echtgenoot zou sterven, zou er een andere voor mij zijn, en een zoon van een andere man, als ik deze zou verliezen, maar omdat mijn moeder en vader verborgen zijn in de Hades, kan er nooit meer een broer voor mij geboren worden.”. Citeer het Griekse tekstelement uit de regels 29-31 (ἀνὴρ t/m γένοιτο) dat inhoudelijk overeenkomt met ‘omdat mijn moeder en vader verborgen zijn in de Hades’.

b: Citeer het Griekse tekstelement uit de regels 29-31 (ἀνὴρ t/m γένοιτο) waarvan een inhoudelijke parallel ontbreekt in bovenstaand citaat.

(CEGr2016 II) vr.11: Regel 34-35 Tῶν t/m ἀπολώλεε en regel 1-2 Τῶν t/m ἐπανάστασιν. Noteer de naam van het narratologisch middel dat Herodotus hier gebruikt.

(CEGr2016 II) vr.12: Regel 2-3 τὰ t/m ἁλώσεται. Deze woorden worden door O. Damsté als volgt vertaald: “zodat ik later niet als leugenaar door u ontmaskerd kan worden”. Citeer het Griekse woord dat correspondeert met het woord ‘ik’ in de vertaling.

(CEGr2016 II) vr.15b: In de roman Xerxes van Louis Couperus antwoordt Demaratus op de vraag van Xerxes of de Grieken tegen hem zullen vechten: “De Lakedaimoniërs zeker – mijn volk -, mochten ook (= ook al zouden) de anderen zich u onderwerpen.” Citeer uit de regels 6-13 (Αἰνέω t/m πλεῦνες) het Griekse tekstelement dat inhoudelijk vergelijkbaar is met ‘zich u onderwerpen’.

(CEGr2016 II) vr.16: Regel 14 γελάσας. O. Damsté vertaalt dit woord met ‘schoot in de lach’. Op welk grammaticaal gegeven is deze vertaling gebaseerd?

(CEGr2016 II) vr.18: Regel 20-21 σὲ δέ γε δίζημαι εἴκοσι εἶναι ἀντάξιον. Deze woorden zijn te beschouwen als een conclusie in Xerxes’ redenering. Beschrijf in eigen woorden de drie stappen die tot deze conclusie leiden. Baseer je antwoord op het voorafgaande (vanaf Ταῦτα regel 14).

(CEGr2016 II) vr.19a: Regel 28-31 ̔Υπὸ t/m οὐδέτερα. Deze regels worden door H. van Dolen als volgt vertaald: “Indien zij net als onze legers onder één aanvoerder zouden vechten en ontzag voor hem hadden, is het denkbaar dat zij in een vlaag van uitzonderlijke moed en dan nog met de zweep erop onze overmacht te lijf gaan, maar dat gebeurt natuurlijk nooit als zij op eigen houtje moeten optreden.”. Op welk grammaticaal verschijnsel is de vertaling ‘is het denkbaar dat’ gebaseerd? b: Citeer het Griekse tekstelement dat is weergegeven met ‘uitzonderlijke’. c: Citeer het Griekse tekstelement dat is weergegeven met ‘als zij op eigen houtje moeten optreden’.

(CELa2015 I) vr.7b: De Romeinse filosoof Seneca beschrijft in een brief een bokswedstrijd. De volgende zin is afkomstig uit deze brief: “Ik overweeg bij mezelf hoeveel mensen hun lichaam oefenen en hoe weinigen hun geest, wat voor een grote toeloop er is naar een schouwspel dat niets anders dan oppervlakkig genot kan beloven, en hoe stil het is op plaatsen waar de wetenschap beoefend wordt, hoe zwak van geest die mensen zijn van wie wij de armen en schouders bewonderen.”. ‘oppervlakkig genot’. Citeer uit de regels 10-14 (Tanta t/m capior) het Latijnse tekstelement dat inhoudelijk overeenkomt met ‘oppervlakkig genot’. c: ‘de wetenschap’. Citeer uit de regels 1-6 (Omne t/m videre) het Latijnse tekstelement dat inhoudelijk overeenkomt met ‘de wetenschap’.

(CELa2015 I) vr.10c: Regel 6 modo ut tibi constiterit fructus otii tui. Voldoet de schrijver Plinius in zijn brief over de wagenrennen (Tekst 1) aan de voorwaarde die Cicero aan Marius stelt in regel 6 (modo t/m tui)? Licht je antwoord toe.

(CELa2015 I) vr.15a: Regel 37-38 Extremus elephantorum dies fuit. Dit optreden van de olifanten is ook door Plinius Maior beschreven: “Toen Pompeius’ olifanten de hoop om te vluchten hadden opgegeven, probeerden ze met onbeschrijflijk gedrag, alsof ze met een soort klaagzang hun lot beweenden, medelijden bij het publiek op te wekken, waardoor het volk zo ontroerd werd dat het niet meer dacht aan de veldheer en de vrijgevigheid die hij ter ere van hen had tentoongespreid, maar dat allen huilend opstonden en Pompeius vervloekten; niet lang daarna kwamen die vervloekingen hem duur te staan.” ‘ontroerd werd’. Citeer het Latijnse tekstelement uit de regels 38-40 (In t/m societatem) dat inhoudelijk vergelijkbaar is met ‘ontroerd werd’.

b: ‘vrijgevigheid’. Dat Pompeius niet zuinig is geweest, kun je ook afleiden uit wat Cicero schrijft in de regels 11-16 (Reliquas t/m arbitrabar). Citeer het Latijnse woord uit de regels 11-16 (Reliquas t/m arbitrabar) waaruit je dit kunt afleiden.

(CELa2015 I) vr.16: Vergelijk Tekst 2 met Tekst 1. Cicero is in zijn beschrijving van de ludi veel gedetailleerder dan Plinius. Verklaar het verschil. Ga in je antwoord in op zowel de beschrijving van Cicero als die van Plinius.

(CELa2015 I) vr.19: Regel 1-7 Librum t/m vixerimus. In een andere brief schrijft Plinius over zijn oom aan Tacitus: “en hoewel hij zelf een groot aantal onvergankelijke werken heeft voortgebracht, zal de onsterfelijke roem van jouw geschriften toch sterk bijdragen aan de blijvende herinnering aan hem.”. ‘de onsterfelijke roem van jouw geschriften’. In Tekst 3 is Plinius op dit punt iets voorzichtiger. Citeer het Latijnse tekstelement uit de regels 1-7 (Librum t/m vixerimus) waaruit dat blijkt.

(CELa2015 I) vr.20: Regel 10-12 Equidem t/m concupiscebam. Plinius maakt Tacitus in deze regels een compliment. Leg uit dat dit compliment wordt versterkt door de opmerking Et erant multa clarissima ingenia (regel 12).

(CELa2015 II) vr.1b: Regel 3-7 Cogita t/m tenuerunt. In een redevoering zegt Cicero het volgende over de Atheners: “Bij hen zijn beschaving, wetenschap, religie, graan, recht en wetten ontstaan”. Plinius’ waardering voor Griekenland toont sterke overeenkomsten met wat Cicero over de Atheners zegt. Citeer uit de regels 3-7 (Cogita t/m tenuerunt) het Latijnse woord dat inhoudelijk overeenkomt met ‘graan’.

(CELa2015 II) vr.3a: Regel 10-15 Nihil t/m est. Cicero schrijft in een brief het volgende over de Grieken: “Omdat we de leiding hebben over een volk dat niet alleen de beschaving kent, maar waarvandaan de beschaving, naar men veronderstelt, zich verbreid heeft naar andere volkeren, zijn we het zeker aan dat volk verplicht hen beschaafd te behandelen van wie we zelf de beschaving hebben ontvangen”. ‘we de leiding hebben’. Citeer het Latijnse woord uit de regels 10-15 (Nihil t/m est) dat hiermee inhoudelijk vergelijkbaar is. Deze vraag kan ook beantwoord worden meer op het niveau van denken op het kruispunt van herinneren en feitenkennis.

(CELa2015 II) vr.9a: Regel 28-29 onerat t/m revexisti. Deze regels worden door T. Peters als volgt vertaald: “Want jij gaat gebukt onder de reputatie die je na je quaestuur zo glanzend uit Bithynië hebt meegenomen.”. De vertaler heeft de grammaticale structuur van het Latijn niet volledig overgenomen. Leg dit uit met betrekking tot quaesturae tuae. Ga in je antwoord in op zowel het Latijn als de vertaling.

b: Leg dit uit met betrekking tot fama. Ga in je antwoord in op zowel het Latijn als de vertaling.

(CELa2015 II) vr.14a: Regel 7-9 Sed t/m induxit. Deze regels worden door F.J. Brevet als volgt vertaald: “Hoewel deze redenen tot troost mij rust hebben gegeven, heeft de menslievendheid, die mij tot deze toegevendheid heeft geleid, mij verzwakt en gebroken.”. De vertaler heeft de grammaticale structuur van het Latijn niet geheel overgenomen. Leg dit uit met betrekking tot his solaciis. Ga in je antwoord in op zowel het Latijn als de vertaling.

b: Citeer het Latijnse tekstelement waarvan ‘deze toegevendheid’ de vertaling is.

(CELa2015 II) vr.16a: Regel 14-16 Est t/m venia. Deze regels worden door T. Peters als volgt vertaald: “Er schuilt namelijk ook een zekere voldoening in treuren, vooral als je kunt uithuilen tegen de schouder van een vriend bij wie je tranen bij voorbaat waardering vinden of op zijn minst een excuus.”. Op welk grammaticaal verschijnsel in het Latijn is de vertaling ‘je kunt uithuilen’ gebaseerd?

b: Citeer het Latijnse tekstelement waarop de vertaling ‘bij voorbaat’ is gebaseerd.

(CELa2015 II) vr.20c: Cicero geeft in deze brief zijn familieleden opdrachten door middel van een variatie aan werkwoordsvormen. Citeer een Latijns woord dat een opdracht is in de vorm van een imperativus.(CELa2016 I) vr.1a: Regel 721-723 Haec t/m oneri. Deze regels worden door H. Schoonhoven als volgt vertaald: “Hierna deed ik een goudgele leeuwevacht om (als bekleding over mijn brede schouders gespreid), boog mijn nek en ik schoof mij onder mijn last.”. Citeer het Latijnse tekstelement waarvan ‘Hierna’ de weergave is. b: De vertaler heeft de grammaticale structuur van het Latijn niet geheel overgenomen. Leg dit uit met betrekking tot subiecta. Ga in je antwoord in op zowel het Latijn als de vertaling.

(CELa2016 I) vr.2: Regel 723-724 dextrae t/m aequis. P. Schrijvers heeft twee vertalingen van de Aeneis gemaakt. In de eerste vertaling vertaalt hij dextrae t/m aequis als volgt: “Julus geeft me een handje en volgt het spoor van zijn vader met kleinere passen.”. In de tweede vertaling vertaalt hij dextrae t/m aequis als volgt: “de kleine Julus klemt zich aan mijn hand, hij volgt zijn vader met kortere passen.” De tweede vertaling blijft in een aantal opzichten dichter bij de Latijnse tekst dan de eerste vertaling. Geef hiervan drie voorbeelden. Ga in je antwoord in op zowel het Latijn als op beide vertalingen.

(CELa2016 I) vr.3: Regel 721-728 Haec t/m aurae. In deze regels komt een combinatie voor van een hyperbaton en een enjambement. Citeer het desbetreffende Latijnse tekstelement.(CELa2016 I) vr.5a: Regel 730 propinquabam portis. Deze woorden worden door M. d’Hane-Scheltema als volgt vertaald: “Ik ben voorbij de stadspoort.”. De vertaling van propinquabam komt op twee punten niet overeen met het Latijn. Een punt is van inhoudelijke aard en een punt is van grammaticale aard. Leg het punt van inhoudelijke aard uit. Laat buiten beschouwing dat portis als enkelvoud vertaald is. Ga in je antwoord in op zowel het Latijn als de vertaling.

b: Leg het punt van grammaticale aard uit. Laat buiten beschouwing dat portis als enkelvoud vertaald is. Ga in je antwoord in op zowel het Latijn als de vertaling.

(CELa2016 I) vr.6: Regel 731-732 subito t/m sonitus. Deze woorden worden door H. Schoonhoven als volgt vertaald: “toen het leek of er plotsklaps tot onze oren gedreun van talrijke voetstappen doordrong.”. Vergilius gebruikt in deze regels het stilistisch middel enallage. De vertaler heeft dit stilistisch middel niet overgenomen. Leg dit uit. Ga in je antwoord in op zowel het Latijn als de vertaling.

(CELa2016 I) vr.12a: Vergelijk regel 741-749 (Nec t/m armis) met regel 710-715 (De t/m vereerd). Citeer het Latijnse woord uit de regels 741-749 (Nec t/m armis) dat inhoudelijk vergelijkbaar is met ‘reeds lang’ (regel 715).

(CELa2016 I) vr.13a: Regel 6-7 alta aequora. aequora is een poëtisch meervoud. Wat betekenis betreft had er ook het enkelvoud altum aequor kunnen staan. Leg uit dat aequor wat het metrum betreft wél in regel 7 gepast zou hebben.

b: Leg uit dat altum wat het metrum betreft níet in regel 6 gepast zou hebben.

(CELa2016 I) vr.20a: Regel 28 flatus t/m tonsae. Schrijf regel 28 over en scandeer deze regel. Een scandeervraag kan ook beantwoord  worden meer op het niveau van denken op het kruispunt van toepassen en procedurele kennis.

(CELa2016 I) vr.21a: Vergelijk Tekst 3 met Tekst 2, regel 10-20 (Proxima t/m ferarum). Welk aspect van de omgeving van het huis van Circe wordt wél vermeld in Tekst 2, maar niet in Tekst 3? Beantwoord de vraag in het Nederlands.

b: Welke activiteit van Circe wordt wél vermeld in Tekst 2, maar niet in Tekst 3? Citeer bij wijze van antwoord het desbetreffende Latijnse tekstelement uit Tekst 2, regel 10-20 (Proxima t/m ferarum).

(CELa2016 II) vr.5: Regel 31-32 Rursus t/m insequor. Deze woorden worden door H. Schoonhoven als volgt vertaald: “Ik rukte meteen opnieuw aan de taaie twijg van een tweede.” Citeer het Latijnse woord waarop de vertaling ‘meteen’ gebaseerd is.

(CELa2016 II) vr.8: Regel 44 Heu t/m avarum. Noteer de namen van twee verschillende stilistische middelen die in deze regel zijn gebruikt en citeer daarbij de desbetreffende Latijnse tekstelementen.

(CELa2016 II) vr.11: Regel 56-57 Quid non mortalia pectora cogis, auri sacra fames. Dido zal op grond van haar eigen ervaring instemmend geknikt hebben bij het horen van deze woorden. Leg dit uit. Baseer je antwoord op de teksten die je voor dit examen hebt gelezen.

(CELa2016 II) vr.13a: Regel 113 Cererem. Noteer de naam van het hier gebruikte stilistisch middel. b: Citeer de twee niet direct opeenvolgende Latijnse zelfstandige naamwoorden uit het voorafgaande waarmee hetzelfde wordt aangeduid.

(CELa2016 II) vr.17a: Regel 124-125 Cum t/m mensas. Deze woorden worden door M. d’Hane-Scheltema als volgt vertaald: “Mijn zoon, wanneer je ooit op vreemde kusten landt en daar van honger zelfs de leeggegeten borden op gaat eten (…).” In de vertaling is de grammaticale structuur van het Latijn niet geheel overgenomen. Leg dit uit met betrekking tot fames. Ga in je antwoord in op zowel het Latijn als de vertaling. b: Citeer het Latijnse tekstelement waarop de vertaling ‘leeggegeten’ gebaseerd is.

(CELa2016 II) vr.18a: Regel 127 prima t/m tecta. Schrijf regel 127 over en scandeer deze regel.

b. Beredeneer op basis van het metrum of prima een bepaling vormt bij manu of bij tecta. Een scandeervraag kan ook beantwoord  worden meer op het niveau van denken op het kruispunt van toepassen en procedurele kennis.

(CE2015 I) Gr vr. 25/La vr.22; (2015 II) Gr vr. 28/La vr.22; (2016 I) Gr. vr. 27/La vr.23; (2016 II) Gr. vr. 25/La vr.23: Bestudeer de inleiding en de aantekeningen bij Tekst X. Vertaal de regels y t/m z in het Nederlands. De vertaalopgave kan ook gemaakt worden meer op het niveau van denken op het kruispunt van toepassen en procedurele kennis of analyseren en conceptuele kennis.

(CEGr2017 I) vr.12a: Regel 1015-1017 τὸ t/m δεῖ στυγεῖν. Deze regels worden door G. Koolschijn als volgt vertaald: “Wie de feiten heeft vernomen mag zijn afschuw tonen, als ik haat verdien, maar waarom anders haten?” Citeer het Griekse woord dat is weergegeven met ‘mag’.

b. Citeer het Griekse tekstelement dat is weergegeven met ‘anders’.

(CEGr2017 I) vr.13: Regel 1020-1022 Κεῖνος t/m Αὖλιν. Deze regels worden door G. Koolschijn als volgt vertaald: “Maar híj heeft mijn dochter, onder het mom dat ze zou trouwen met Achilles, van huis naar Aulis meegenomen, waar de vloot vastzat.” Citeer het Griekse woord waarop de vertaling ‘onder het mom’ is gebaseerd.

(CEGr2017 I) vr. 17b: Met welk grammaticaal middel wordt duidelijk gemaakt dat de uitspraak in de regels 1036-1038 (ὅταν t/m φίλον) algemene geldigheid heeft?

(CEGr2017 I) vr.18: Regel 1040 κλύουσ᾽ ἄνδρες κακῶς. Citeer uit de regels 1035-1040 (Μῶρον t/m κακῶς) het Griekse woord dat inhoudelijk vergelijkbaar is met κλύουσ᾽ κακῶς.

 

logo Dimensie van het Cognitieve Proces (vaardigheden)
Herinneren Begrijpen Toepassen Analyseren Evalueren Creëren

Kennis-dimensie


Feiten


Conceptuele


Procedurele


Metacognitieve

Nieuws op onderwerp

Voer uw e-mailadres in en blijf op de hoogte van ons laatste nieuws.

Join 29 other followers

MetisMatters
+31 (0) 6 24 64 08 96
annemieke@metismatters.nl

Telefonisch spreekuur:
maandagochtend van 9.00-10.00 uur
%d bloggers like this: